VvG: platform voor gendergeschiedenis

In deze rubriek brengt Historica een onderzoeker voor het voetlicht die vanuit haar of zijn discipline reflecteert over de (mogelijke) meerwaarde om te werken vanuit een genderperspectief. Op de Historicapagina van de website van de VVG kunt u reacties op deze rubriek posten. Op die manier willen Historica en de VVG actief het wetenschappelijke én publieke debat rond genderonderzoek stimuleren.
Prof. dr. Barbara Caine verzorgde afgelopen augustus de openingslezing op de conferentie van de International Federation for Research in Women’s History (IFRWH) gehouden tijdens het 21st International Congress of Historical Sciences, in het vrouwenarchief Aletta. Op 27 september gaf zij op uitnodiging van de leerstoelgroep Moderne Geschiedenis (Mineke Bosch) aan de Rijksuniversiteit Groningen een masterclass over de biografie. Caine is een bekende naam onder biografen, en wist met haar groeps- en familiebiografieën de collectieve biografie als methode op de agenda te zetten. Caine is werkzaam aan de Monash University, Melbourne, Australië.

Barbara Caine’s werk concentreert zich op de geschiedenis van het Britse feminisme en collectieve biografieën over Britse families. Maar met haar onderzoek is zij recentelijk ook op Zuid-Afrikaanse bodem beland. Haar openingslezing voor het IFRWH congres behandelde bijvoorbeeld het leven van de activiste Lillian Ngoyi (1911-1980) en de Zuid-Afrikaanse antiapartheidsstrijd van circa 1950 tot 1980. “Mijn onderzoek naar vrouwen als Lillian Ngoyi is eigenlijk een specifiek project over vrouwelijke activisten uit de jaren 1960 en 1950 waar niemand anders over schrijft.”

Persoonlijke politiek
Met de keuze voor de activisten uit Zuid-Afrika blijft Caine dicht bij haar andere studies naar agency. “Lillian Ngoyi is erg onbekend in Zuid-Afrika. Dat ik over haar schrijf kun je zien als een politieke daad, want ik vind dat haar leven belangrijk was en beter bekend moet worden. En dan gaat het niet om feiten over haar privéleven, want daar is te weinig materiaal over. We weten niet eens hoeveel kinderen ze had. Het is niet vruchtbaar om dat nu als historicus uit te zoeken. Er is een belangrijker verhaal te vertellen, over hoe zij in de beweging stond, hoe ze daarin overleefde en wat deze beweging voor haar betekende. En wat betekent het dat zij ondanks haar prominentie toen, nu zo vergeten is? Als de politieke strijd het kader is van iemands leven, dan moet die strijd ook centraal staan in hoe je iemands leven beschrijft en analyseert. Maar daarbij wil ik ook laten zien hoe problematisch deze strijd in haar leven was.”
Uit het werk van Caine blijkt een bepaalde voorkeur voor historische subjecten die zich verbonden voelden met een politieke strijd. Zij kijkt daarbij vooral naar de veranderende beweegredenen en denkbeelden van mensen en laat zien hoe traditionele historische concepten vaak niet toepasbaar zijn op de leefwereld van individuen. “In het boek Victorian Feminists heb ik bewust ervoor gekozen om vier verschillende vrouwen te behandelen. Wanneer je het feminisme wilt classificeren en categoriseren, dan schieten de standaard politieke labels te kort. Je kunt zeggen: zij is een liberale feminist, of: zij is een conservatieve feminist. Zulke termen vertellen dan wel iets over hun bredere politieke verwantschap, maar het zegt niets over hoe zij dachten over seksuele verschillen, of wat zij vonden van de dominante feministische kwesties. In dat opzicht breng ik het standpunt mee wat we in de jaren 1970 ontwikkelden; het persoonlijke is politiek. Er zijn nu eenmaal verschillen in hoe vrouwen deel nemen aan de strijd tegen vrouwenonderdrukking. En wanneer je dit doortrekt, zie je dat hun ideeën in te delen zijn volgens nieuwe lijnen die de oude politieke indeling doorkruisen.”

De wetenschap van de biografie
Biografieën worden veel gelezen door niet-historici. Het is dan ook een belangrijk instrument voor de historische wetenschappen om een breed publiek voor zich te interesseren. Caine’s werk is ook buiten de academie goed bekend. “Ik denk dat mensen familiegeschiedenissen intrigerend vinden en daarom probeer ik mijn werk zo toegankelijk mogelijk te schrijven. Ik schrijf dan ook niet voor historici, maar houd vrienden voor ogen die zich hiervoor interesseren en serieus lezen.” Toch levert Caine geen historische romans af. “Mijn werk behoort tot de serieuze geschiedwetenschap. Het is gedocumenteerd, bevraagt bronnen en bediscussieert de grenzen van onze kennis van het verleden. Maar mensen houden simpelweg ook van verhalen. De truc is niet elk detail te volgen, maar het bredere plaatje te laten zien en de gevoelens die mensen hadden uit te werken.”
Datzelfde narratieve element in de biografie wordt vaak ingezet om biografieën in het algemeen als onwetenschappelijk weg te zetten. Caine begrijpt de kritiek op de biografie als wetenschappelijke methode wel. “Ik denk niet dat biografieën echte harde wetenschap kunnen zijn. Leon Edel die de theorie van de biografie domineerde in de jaren 1970, vond dat biografen hetzelfde niveau van accuratesse moesten behalen als alle andere historici en dat je een even grote sceptische houding moest hebben tegenover je bronnen. Ik zie mezelf echter niet als iemand die aan de zijkant blijft staan en van daar uit oordeelt. Ik wil niet vragen: gebeurde het wel op die manier als zij zegt? Of: was zij wel zo belangrijk of niet?”
“Ik ben juist een voorstander van de visie dat wij vat kunnen en moeten krijgen op hoe mensen dachten over hun leven en hoe zij deze opvatten. Ik geloof in een sympathieke aanpak, in een soort van kritische sympathie. Je wilt natuurlijk niet je subject verheerlijken, maar als biograaf is het een van je taken om je subjecten de best mogelijke kans te geven om zichzelf te kunnen presenteren en zijn. Je moet je daarbij afvragen waarom iemands versie van een verhaal zo compleet verschilt van de versie van een ander. Beide verhalen moet je behandelen en dan is de centrale vraag wat dit verschil te vertellen heeft. Dat is veel interessanter dan de vraag wie gelijk heeft.”
Caine maakt in haar werk gebruik van de psychologie om relaties en gedragingen van mensen te verklaren. Dit element binnen biografieën lijkt onvermijdelijk en wordt vaak gezien als problematisch. Caine’s standpunt in dit debat is nogal praktisch. “Kijk, wij kunnen simpelweg niet denken over levens zonder psychologische en soms zelfs psychoanalytische concepten te gebruiken. Wij nemen aan dat er krachtige conflicten optreden tussen ouders en kinderen en broers en zussen. Als iemand over haar leven schrijft zonder te verwijzen naar dergelijke conflicten, dan geloof je haar simpelweg niet. En toch schrijven mensen over hun leven op die manier.”
Daarom moeten historici zich volgens Caine bedienen van een soort van common sense benadering van de psychologie. “Ik ga ervan uit dat jonge vrouwen altijd op de een of andere manier betrokken zijn in een strijd met hun ouders voor autonomie. Zij moeten binnen hun eigen context een manier vinden om hun levens zelf vorm te geven terwijl zij geconfronteerd worden met een samenleving die vaak iets anders van hen verwacht. Dat is gewoon hoe ik de wereld zie en dat zijn de vragen die ik stel in mijn onderzoeken. Biografen komen ook situaties tegen waarin mensen een ding zeggen over één ouder en niet over de andere, terwijl je daarvoor geen bewijs vindt in de bronnen. Ik vind het dan heerlijk daarover te schrijven.”
Maar een historicus is natuurlijk geen psycholoog. Caine zelf staat ambivalent tegenover psychoanalytische theorieën. Ze is daar niet in geworteld, en “ik weet niet of ik er eigenlijk wel in geloof.” Juist de familiebiografie draagt Caine aan als mogelijke oplossing. “Ik denk net dat studies naar de familie een goede manier zijn om de geschiedenis te bestuderen zonder dat je verregaande psychologie nodig hebt. Je kunt dan immers altijd zien hoe veranderingen en conflicten en dat soort zaken werken door te kijken naar wat er gebeurt bij twee of drie mensen tegelijk. Veel van mijn boeken gaan over groepen of families. Wat mij dan juist intrigeert, is de vraag hoe verschillende mensen tegenover hetzelfde gebeuren staan en daarover anders denken. Daarmee laat je de afstand zien die er tussen mensen bestaat, en welke problemen zij niet geheel kunnen behappen.”
Maar Caine benadrukt ook dat biografen de psychologie niet naast zich neer kunnen leggen. “We kunnen niet niet psychologisch zijn in onze aanpak. Het is onderdeel van ons denken.” Dat wil niet zeggen dat de subjecten bij Caine op de pijnbank liggen. Toch bouwt zij een hechte band op met haar subjecten. “Ik had het idee dat de Stracheys [het gezin van Sir Rchard Strachey (1817–1908) en Lady Jane Strachey (1840–1928) nvdr.] tegen mij spraken toen ik mijn boek over hen schreef. Zij hadden zoveel prachtige brieven nagelaten, dat ik het gevoel had ze van dichtbij te leren kennen. Maar je weet dat dat een illusie is.” Het is dan zaak bij de bronnen te blijven.
Haar studie naar de familie Strachey laat duidelijk de effecten van de modernisering op individueel niveau zien. Caine maakt bijvoorbeeld inzichtelijk hoe het gedachtegoed van Freud het denken over menselijke relaties veranderde en hoe bijvoorbeeld ideeën over familiale conflicten onderdeel werden van het alledaagse denken. “Tegen de jaren 1920, was verwantschap voor mensen gecompliceerder geworden dan dat was geweest voor hun ouders. De vorige generatie groeide op in een Victoriaanse wereld, waar het belangrijkste punt was om conflicten uit de weg te gaan. Perfecte harmonie was het streven. Maar als mens weet je dat dit niet mogelijk is. Jane Strachey schreef aan haar zuster nadat haar echtgenoot Richard was gestorven dat hij haar altijd had geprezen en haar als zijn eigen zus had beschouwd. En hoewel dat best zo zal zijn geweest, valt het op dat de volgende generatie dergelijke formuleringen en strekkingen niet gebruikte. Dat geeft aan dat deze nieuwe generatie zich ervan bewust was dat er werkelijke verschillen en fricties tussen hen bestonden. Het is fascinerend om te zien hoe Freudiaanse gedachtegangen en psychoanalyse onderdeel worden van hoe mensen over zichzelf denken en hun omgeving zien.”

 

Feministische methode
Vrouwelijke historici grepen lange tijd terug naar de biografie om vrouwen een plek te geven in de geschiedschrijving. Toonaangevende vrouwen werden aan de vergetelheid ontrukt door een serie biografieën van de vrouwengeschiedenisgroepen. Caine tilt de biografie als methode om vrouwenlevens te bestuderen naar een hoger plan. Laat zij met haar boeken juist voorbeelden zien van vrouwenlevens in het algemeen, of zijn haar subjecten uitzonderingen in de algemene geschiedenis?
“Een van de dingen die ik heb meegenomen van de feministische benadering van de biografie van de jaren 1970 is het idee dat je iets kunt zeggen over het leven van vrouwen in het algemeen door je te concentreren op een specifieke groep vrouwen. Het geeft je lagen en nuances die je niet kunt krijgen via sociologische aanpak.”
“De Stracheys waar ik over heb geschreven zijn bijvoorbeeld niet exemplarisch, maar in hun levens zie je veel conflicten terug die speelden voor vrouwen in midden- en hogere klasse in de tweede helft van de negentiende eeuw. De Stracheys waren zelfs bijzonder exceptioneel. Zij waren een sterk gevestigde imperialistische familie, uit de hogere middenklasse en zeer excentriek. De meisjes bezochten bijvoorbeeld de universiteit. Maar toch zie je heel duidelijk hoe de vragen van die tijd doorspelen in hun leven. Zij hadden ook te maken met vragen als: Zouden wij trouwen, met wat type partner trouwen wij dan, hoe voeden we de kinderen op, kun je een publiek en privéleven hebben, hoe past onderwijs voor meisjes in onze levens, enzovoorts. Je ontdekt door de studie naar zo’n groep een textuur die van breder historisch belang is, en dat is een van de belangrijkste bijdragen van biografieën aan de geschiedwetenschappen.”
“De collectieve biografieën zijn hiervoor nog meer geschikt dan reguliere biografieën. De groep behoedt je voor een diepte-analyse van één persoon. Dat wordt tegelijkertijd ook gezien als een tekortkoming, maar ik denk dat juist via groepen de algemene discussies van die tijd naar voren komen.”
“Ik begon mijn onderzoek naar de Stracheys met het idee dat ik alleen over de Strachey vrouwen zou schrijven. Maar dat zou gewoonweg idioot zijn geweest, want de mannen en vrouwen waren compleet met elkaar verweven. Ik kwam er ook achter dat de oudere broers eigenlijk de ergste tijd hadden gehad. Zij waren de niet zo getalenteerde zonen van een erg machtige en intelligente man. Bovendien konden zij geen gebruik maken van de familiale netwerken en de familienaam zoals de zussen dat deden. Ik vermoed dus dat er een grotere afstand bestond tussen de zonen uit imperialistische families en de dochters uit deze families. Via mijn studie naar de Stracheys kon ik dus iets zeggen over de moderniteit en de overgang naar de twintigste eeuw dat van belang is voor de algemene geschiedschrijving. Maar de familieleden zelf waren op geen enkele manier typisch voor hun tijd.”
Het feminisme komt veelvuldig naar voren in Caine’s werk. Zelf noemt ze het een van haar belangrijkste drijfveren. “Mijn werk is altijd voortgestuwd door feminisme. Ik begon mijn PhD over sir George Henry Lewis (1833-1911) en terwijl ik die schreef, las ik Kate Millett. Ik dacht: dit is wat ik wil doen! Ik was zo uitgekeken op die blanke mannen, ik wilde schrijven over vrouwen. Als een feministische historicus is het je verantwoordelijkheid om vrouwen de beste mogelijkheid te geven om hun eigen leven te laten zien. Zelf als de vrouw die je bestudeerd een antifeminist is, zoals Beatrice Webb (1858–1943) was, dan moet je proberen niet te veroordelen maar te begrijpen waarom zij op dat moment deze visie heeft.”
“Ik ben vooral geïnteresseerd in het in kaart brengen van de verhalen van vrouwen. De titel van het boek over de Potter zussen [de negen dochters van de rijke zakenman Richard Potter, waaronder Beatrice Webb nvdr.] is niet voor niets Destined to be wifes. Deze vrouwen werden altijd gezien als ontoereikende echtgenotes en slechte moeders. Ik wilde nu juist hun levens centraal stellen. Zij moeten niet altijd ondergeschikt zijn, dus zette ik hen centraal en plaatste ik de echtgenoten en kinderen om hen heen. Een paar van deze vrouwen waren zulke capabele vrouwen, zij hadden niet alleen moeder en echtgenoot moeten zijn. Zij hadden burgermeester of politici moeten zijn maar waren beperkt door hun sekse.”

Verbeelding
De biografie is volgens Caine gelijktijdig een academisch werk als een literair werk. “Biografieën staan op bewijsvoering, maar het is geen harde wetenschap. Je moet onderbouwen wat je schrijft, en aangeven wat je niet weet, maar het werk zelf bevat per definitie een grote mate aan verbeelding. En dat is prima. Eigenlijk is alle geschiedenis verbeelding. Historici ontkenden dat lange tijd, maar tegenwoordig is er meer erkenning voor de inbeeldingkracht die we nodig hebben. Je moet je kunnen inleven en inbeelden. Mensen die over steden schrijven moeten bijvoorbeeld die steden visualiseren en bedenken hoe het was om erin te leven. Daarom is het een goed idee om novellen te lezen als je een biografie schrijft.”
Ik vind het heerlijk om de eigen woorden van mensen te kunnen gebruiken, met name de verhalen van mensen over zichzelf. Ik denk dat het beeld dat mensen van zichzelf schetsen ontzettend belangrijk is voor biografieën. Historici hebben een sceptische houding tegenover het gebruik van autobiografieën als bron. En hoewel we weten dat autobiografieën niet de hele waarheid vertellen, blijft het verschrikkelijk interessant om te zien hoe mensen zichzelf wilden presenteren. Waar wilden zij dat hun lezers over zouden schrijven? En hoe verhoudt zich dat tot de rest van de informatie dat we in de archieven kunnen vinden? Neem Beatrice Webb. De verschillen tussen haar dagboek en haar autobiografie zijn buitengewoon. Zij vertelt veel meer in haar dagboek dan in haar autobiografie, met name als je kijkt naar haar huwelijk. Het dagboek schrijft ze voor zichzelf, ook al weet ze dat ze er gebruik van zal maken bij het schrijven van haar autobiografie. Autobiografieën zou ik daarom wel kritisch willen benaderen, maar op een sympathieke manier.”    ///

/ Esmeralda Tijhoff /

Schrijf je in!

Schrijf je hier in voor de VvG-nieuwsbrief.

Met * is een verplicht veld

Bekijk hier de vorige nieuwsbrieven